
- Franske Travaille
- Berichten
- Voorstellen.
- Fotoalbum
- Familie
- Ach mijn lief
- Avondturen
- Een dag als vandaag
- Een zuchtje v d wind
- Eindeloos
- Liften
- Schemerige discussie
- Spiegelbeeld
- Tijd
- Tranen
- Tweeduizend en negen
- Winter
- Zevenenzeventig jaar
- Inhoud van boek 1.
- Inhoud van boek 2.
- Inhoud van boek 3.
- Boek bestellen
Zoeken op de site:
» Wat is er loos
WAT IS ER LOOS?
Wat besluiteloos kijkt ze om zich heen, maar doet dan toch tenslotte de voordeur op slot.
De doffe groene kleur doet wat armoedig aan, het is net of ziet ze dat nu voor het eerst.
Ook de kleine zweverige spinragjes op het bovenraampje, een en ander oogt niet zo geweldig.
Een goede huisvrouw onwaardig, zou haar moeder zeggen, bedenkt ze met een kleine glimlach. Moeizaam loopt ze van het huis weg, na eerst nog een blik op het kleine voortuintje te werpen; de bloemen en plantjes staan er wat armetierig bij. De laatste tijd komt er niet zoveel werk uit haar handen, altijd moe, soms pijn en zo vreselijk lusteloos. Na een dokters bezoek is ze nu op weg naar het ziekenhuis voor onderzoek bij een specialist. Huiverig kijkt ze nog eens om naar haar huis, zou ze het wel terug zien straks , het voelt allemaal niet zo goed aan, ze is bang.. Ze probeert zichzelf op te peppen, kom aan, ze is nog niet echt oud, vierenzestig is tegenwoordig zelfs nog redelijk jong. Met de bus gaat ze naar de stad waar het ziekenhuis gevestigd is. Een taxi is voor haar portemonnee veel te veel. Lopen is gezond, al voelt ze dat op het moment niet zo, vooruit niet kleinzerig zijn, mompelt ze. Ze moet flink zijn, thuis wordt er op haar gerekend, haar opgewekte, maar zeer onhandige man, en haar twee jonge kleindochters die bij haar gezinnetje zijn gaan behoren sinds de dood van haar zo geliefde oudste dochter. Die zware klap voelt ze nog iedere dag, soms denkt ze dat die pijn nooit weer overgaat. Het heeft haar hele levenslust vernietigd, haar leven bestaat nu alleen nog maar uit plichtsbesef, en natuurlijk uit zorg voor het gezin.
Nerveus gaat ze het voor haar zo grote en vreemde ziekenhuis binnen.
Een vriendelijke verpleegster wijst haar de weg naar de wachtkamer van de betreffende arts.
Ze schrikt van de vele mensen die voor haar aan de beurt zijn, moe schuift ze stilletjes in haar stoel. Haar keel is droog van de spanning, de handen houdt ze met moeite stil.
Eindelijk is het haar beurt.
De al wat oudere arts kijkt haar vriendelijk en onderzoekend aan. Wat hij ziet is een doodsbange, oude vrouw, die niets meer van het leven verwacht. Rustig stelt hij haar op haar gemak en begint met het onderzoek.
Na afloop daarvan stelt hij voor om voorlopig in het ziekenhuis te blijven, voor verdere behandelingen die hij nodig acht . In paniek komt ze met allerlei kleine en grote bezwaren, de arts en een verpleegster hebben de handen vol om haar te overtuigen dat het waarschijnlijk maar voor een weekje is. Als haar man later op bezoek komt ligt ze nog steeds trillend onder de dekens. Sussend vertelt hij, dat haar oudste kleindochter en de buren veel hulp bieden, en hij zelf natuurlijk ook. Dat ontlokt haar toch een klein glimlachje, in gedachten ziet ze hem met zijn grote werkhanden haar fijne porseleinen theekopjes afwassen.
Maar de daarop volgende onderzoeken vallen erg tegen.
Na en week ligt ze er nog, ze wordt steeds magerder, maar wonderwel ook rustiger.
Het is net of heeft ze zich overgegeven, stil en bleekjes wacht ze haar lot af, er zijn alleen tranen als ze haar kleindochtertjes ziet. De belofte aan haar dochter heeft ze niet waar kunnen maken.
Eindelijk na zes weken is daar de dag dat ze thuis komt, maar niet met de bus en ook niet lopend. Een donkere kist wordt voorzichtig de smalle gang ingeschoven.
Haar opgewekte man kijkt droevig en lijkt iets gekrompen. De kleindochters zijn bij de buren.
De voordeur gaat langzaam dicht, de groene doffe kleur lijkt nog triester geworden en de warrelende spinragjes, voor het raam, geven een geluidloze dodenmars.
[ terug... ]
Wat besluiteloos kijkt ze om zich heen, maar doet dan toch tenslotte de voordeur op slot.
De doffe groene kleur doet wat armoedig aan, het is net of ziet ze dat nu voor het eerst.
Ook de kleine zweverige spinragjes op het bovenraampje, een en ander oogt niet zo geweldig.
Een goede huisvrouw onwaardig, zou haar moeder zeggen, bedenkt ze met een kleine glimlach. Moeizaam loopt ze van het huis weg, na eerst nog een blik op het kleine voortuintje te werpen; de bloemen en plantjes staan er wat armetierig bij. De laatste tijd komt er niet zoveel werk uit haar handen, altijd moe, soms pijn en zo vreselijk lusteloos. Na een dokters bezoek is ze nu op weg naar het ziekenhuis voor onderzoek bij een specialist. Huiverig kijkt ze nog eens om naar haar huis, zou ze het wel terug zien straks , het voelt allemaal niet zo goed aan, ze is bang.. Ze probeert zichzelf op te peppen, kom aan, ze is nog niet echt oud, vierenzestig is tegenwoordig zelfs nog redelijk jong. Met de bus gaat ze naar de stad waar het ziekenhuis gevestigd is. Een taxi is voor haar portemonnee veel te veel. Lopen is gezond, al voelt ze dat op het moment niet zo, vooruit niet kleinzerig zijn, mompelt ze. Ze moet flink zijn, thuis wordt er op haar gerekend, haar opgewekte, maar zeer onhandige man, en haar twee jonge kleindochters die bij haar gezinnetje zijn gaan behoren sinds de dood van haar zo geliefde oudste dochter. Die zware klap voelt ze nog iedere dag, soms denkt ze dat die pijn nooit weer overgaat. Het heeft haar hele levenslust vernietigd, haar leven bestaat nu alleen nog maar uit plichtsbesef, en natuurlijk uit zorg voor het gezin.
Nerveus gaat ze het voor haar zo grote en vreemde ziekenhuis binnen.
Een vriendelijke verpleegster wijst haar de weg naar de wachtkamer van de betreffende arts.
Ze schrikt van de vele mensen die voor haar aan de beurt zijn, moe schuift ze stilletjes in haar stoel. Haar keel is droog van de spanning, de handen houdt ze met moeite stil.
Eindelijk is het haar beurt.
De al wat oudere arts kijkt haar vriendelijk en onderzoekend aan. Wat hij ziet is een doodsbange, oude vrouw, die niets meer van het leven verwacht. Rustig stelt hij haar op haar gemak en begint met het onderzoek.
Na afloop daarvan stelt hij voor om voorlopig in het ziekenhuis te blijven, voor verdere behandelingen die hij nodig acht . In paniek komt ze met allerlei kleine en grote bezwaren, de arts en een verpleegster hebben de handen vol om haar te overtuigen dat het waarschijnlijk maar voor een weekje is. Als haar man later op bezoek komt ligt ze nog steeds trillend onder de dekens. Sussend vertelt hij, dat haar oudste kleindochter en de buren veel hulp bieden, en hij zelf natuurlijk ook. Dat ontlokt haar toch een klein glimlachje, in gedachten ziet ze hem met zijn grote werkhanden haar fijne porseleinen theekopjes afwassen.
Maar de daarop volgende onderzoeken vallen erg tegen.
Na en week ligt ze er nog, ze wordt steeds magerder, maar wonderwel ook rustiger.
Het is net of heeft ze zich overgegeven, stil en bleekjes wacht ze haar lot af, er zijn alleen tranen als ze haar kleindochtertjes ziet. De belofte aan haar dochter heeft ze niet waar kunnen maken.
Eindelijk na zes weken is daar de dag dat ze thuis komt, maar niet met de bus en ook niet lopend. Een donkere kist wordt voorzichtig de smalle gang ingeschoven.
Haar opgewekte man kijkt droevig en lijkt iets gekrompen. De kleindochters zijn bij de buren.
De voordeur gaat langzaam dicht, de groene doffe kleur lijkt nog triester geworden en de warrelende spinragjes, voor het raam, geven een geluidloze dodenmars.
[ terug... ]
